Hoe ben je precies begonnen met het maken van beeldhouwwerken?
Ik heb altijd al interesse gehad in het bewerken van metaal. Ik had dat in mijn kindertijd gezien, mijn vader werkte met ijzer. Het is voor mij echt van start gegaan bij een toevallige ontmoeting in Brussel. Ik leerde een goudsmid kennen die een eigen atelier had. Ik ging na mijn werk naar zijn atelier om bij te leren. In het begin maakte ik juwelen, dan kleine beelden en dan later veel grotere beeldhouwwerken.
Waarom die overgang van juwelen naar beelden?
Een juwelier herken je aan zijn handen: hij heeft platte vingers om de juwelen goed vast te kunnen houden. Ik heb dat niet en bovendien is juwelen maken vermoeiend voor de ogen. Ik ben dus van schaal veranderd, maar de techniek blijft dezelfde: kloppen op metaal totdat het de gewenste vorm krijgt. Ik werk nu met grote platen van koper die ik vervorm met speciale hamers. Ik maak verschillende stukken die ik dan aan elkaar las met koper en zilver. Ik doe dat nu in een atelier in Lot. Het is wat klein, maar het is oké, ik ben ook klein (lacht).
Herinner je je nog het eerste beeld dat je verkocht hebt?
Ja, dat was in Brugge, bij mijn eerste tentoonstelling. Het was het beeld van een kleine vioolspeler. Ik heb nog een foto waar ik op sta met de cheque in de hand. Die eerste verkoop raakte me, want ik geloofde toen zelf niet in mijn kunnen. De tentoonstelling was er gekomen op initiatief van een kennis die een juwelierszaak had in Brugge. Hij zag dat ik mannetjes van koper had gemaakt en zei: “Ik stel u gratis mijn zaak ter beschikking voor een tentoonstelling.” Hij heeft zelfs voor affiches gezorgd. Het is dankzij hem dat ik mijn werkstukken ben beginnen verkopen. Hij geloofde er echt in. Later was er dan nog iemand uit Frankrijk die interesse had in mijn werk en zo heb ik verschillende tentoonstellingen gedaan in Frankrijk.
Wie zijn je klanten?
Dat kunnen bedrijven en gemeentes zijn, maar vaak zijn het particulieren. Ik heb bijvoorbeeld een beeld gemaakt voor de tuin van de buur van Urbanus, in Tollembeek. Als de beelden buiten staan wil ik goed weten hoe de omgeving er uitziet: is er een groene haag als achtergrond of niet? Ik maak ook beelden die als fontein dienen. Je moet daarbij goed opletten hoe hoog de waterval is. Als je onder de 15 cm blijft, klinkt het water als muziek.
Het is me al opgevallen dat je vaak vogels maakt. Is daar een reden voor?
Ah, maar dat is omdat ik altijd al heb willen vliegen. Wie droomt er nu niet van om te kunnen vliegen? Ik maak de beelden ook altijd luchtig. Ik wil niet dat ze volledig gesloten zijn. Er moet een mate van transparantie in zijn. Dat is heel belangrijk voor mij, dat het er licht door kan schijnen.
En hoe begin je aan zo’n beeld?
Soms maak ik een schets en soms begin ik er direct aan. Het kan zijn dat ik aan een ontwerp begin met het idee om een krokodil te maken, maar dat het uiteindelijk een olifant wordt. Dat is het leuke eraan, het is altijd een verrassing. Je moet wel weten wanneer je moet stoppen, want je weet wat ze zeggen “trop is te veel”! (lacht)
Was beeldhouwwerken jouw beroep of hobby?
Oh neen, het is gewoon een hobby. Een dure hobby! Met het geld dat ik verdien, koop ik opnieuw koper aan voor een volgend kunstwerk. Het doel is om verder te kunnen werken en mijn facturen te kunnen betalen. Zo’n metalen plaat is direct 450 euro he. Ik produceer nu wel iets minder aangezien het fysiek zwaar werk is. Bovendien is het atelier niet verwarmd en in de winter is dat niet aangenaam.
Is er een bepaald kunstwerk dat meer voor jou betekent dan een ander?
Ja, iets van lang geleden! [staat op en gaat het beeldje halen] Ik heb dit nooit willen verkopen. Het is een beetje een zelfportret: ‘Miro die wat gedronken heeft en die zijn snavel niet kan houden’. (lacht) Toen ik hem maakte, wist ik dat het in de familie moest blijven.
Heb je nog een bepaald doel voor ogen?
Neen, niet echt, als ik af en toe een bestelling krijg, ben ik al tevreden. Ik heb wel spijt van iets! Ik heb ooit de kans gekregen om een ontwerp te maken voor de stad Halle. Ze wilden een kunstwerk plaatsen aan de rotonde aan het Bevrijdingsplein. Ik wou iets maken met betrekking tot de bevrijding van Halle door de geallieerden. Ik heb toen een poort van zo’n 5 meter bedacht dat zicht gaf op de verschillende wegen. De poort zou wat scheef staan en gaten hebben, alsof ze doorboort zou zijn door kogels. Ik mocht mijn idee voorstellen aan het schepencollege. Ze waren mee met mijn verhaal totdat ik zei dat in de gaten van de poort misschien duiven zouden gaan zitten. Daar waren ze niet zo’n voorstander van. Twee jaar later is de mast als kunstwerk geplaatst op de rotonde… Daar heb ik toch wel spijt van.
Heb je een tip voor iemand die wilt starten met kunst?
Er is vandaag veel concurrentie in de kunstwereld. Je moet dus vooral in jezelf geloven en wat geduld hebben. De erkenning zal wel komen.